Alle blogs

14 september 2026 · Dave Veenema

Trauma: wat weten we inmiddels echt?

Observaties uit Transform Trauma Oxford 2026 over brein, lichaam en herstel

Varens in het bos

Wat gebeurt er in ons brein en lichaam wanneer we iets meemaken dat te groot, te plotseling of te bedreigend is om op dat moment goed te verwerken? En waarom kan een gebeurtenis die al jaren geleden heeft plaatsgevonden, vandaag nog steeds invloed hebben op hoe iemand zich voelt en functioneert?

Dat waren enkele van de vragen die centraal stonden tijdens Transform Trauma Oxford 2026, waar wetenschappers, clinici en deskundigen uit verschillende disciplines bijeenkwamen. Wat daarbij opvalt, is dat trauma vanuit verschillende invalshoeken wordt onderzocht. Neurowetenschap, psychologie, lichaamsgerichte benaderingen, hechting en onderzoek naar nieuwe behandelvormen leggen ieder andere accenten. Door die perspectieven naast elkaar te leggen, ontstaat een beeld van trauma als een complex verschijnsel waarbij meerdere systemen betrokken kunnen zijn.

Van gebeurtenis naar traumareactie

Niet iedere ingrijpende gebeurtenis leidt tot langdurige psychische klachten en niet iedereen die iets traumatisch meemaakt, ontwikkelt een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Of iemand klachten ontwikkelt en hoe deze zich vervolgens uiten, hangt samen met verschillende factoren. Daarbij spelen onder andere de aard en duur van de gebeurtenis, eerdere ervaringen, genetische kwetsbaarheid, sociale steun, de betekenis die iemand aan de gebeurtenis geeft en de manier waarop het stresssysteem reageert een rol.

Trauma gaat daarmee niet alleen over wat er is gebeurd, maar ook over de manier waarop iemand en diens stresssysteem daarna op die ervaring reageren.

Bij PTSS kunnen onder andere herbelevingen, vermijding, verhoogde waakzaamheid, slaapproblemen, negatieve overtuigingen en veranderingen in stemming en lichaamsbeleving voorkomen. Onderzoek laat zien dat daarbij meerdere hersennetwerken betrokken zijn. Het gaat dus niet om één specifiek ‘traumacentrum’, maar om een samenspel van systemen die betrokken zijn bij onder meer dreigingsdetectie, geheugen, emotionele regulatie en leren. Ook genetische factoren kunnen van invloed zijn.

Het brein verandert, maar we weten nog niet precies hoe

Een belangrijk uitgangspunt binnen de huidige neurowetenschap is neuroplasticiteit: het brein blijft zich aanpassen onder invloed van ervaringen, leren en omgeving. Veranderingen die bij langdurige stress of PTSS worden gevonden, betekenen daarom niet automatisch dat het brein blijvend beschadigd is.

Tegelijkertijd is voorzichtigheid nodig met uitspraken over wat trauma precies met het individuele brein heeft gedaan. Onderzoek naar hersenactiviteit en hersenstructuren helpt om mechanismen beter te begrijpen, maar een hersenscan kan op dit moment niet bepalen welke behandeling voor een individuele patiënt het meest geschikt is. De wetenschappelijke literatuur laat juist zien hoe complex de wisselwerking is tussen hersencircuits, genetische factoren, stress, omgeving en behandeling.

Dat betekent dat kennis uit de neurowetenschap vooral helpt om processen beter te begrijpen, maar nog niet zonder meer kan worden vertaald naar individuele diagnostiek of behandelkeuzes.

De rol van het lichaam

Binnen het traumaveld is de afgelopen jaren ook meer aandacht gekomen voor de lichamelijke aspecten van trauma. Onderzoekers zoals Ruth Lanius hebben bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de relatie tussen trauma, hersenprocessen en veranderingen in de manier waarop mensen hun lichaam en emoties ervaren.

Trauma kan zich onder andere uiten in veranderingen in spierspanning, hartslag, ademhaling, slaap, bewegingspatronen en gevoeligheid voor prikkels. Sommige mensen ervaren juist een verminderd contact met hun lichaam of hebben moeite om lichamelijke signalen op te merken.

Dat betekent niet dat iedere lichamelijke klacht door trauma wordt veroorzaakt. Wel kan het lichamelijke perspectief aanvullende informatie geven over hoe iemand op stress en dreiging reageert.

Voor sommige mensen is praten over een traumatische ervaring een belangrijke ingang voor behandeling. Bij anderen kan het relevant zijn om ook aandacht te besteden aan het herkennen van lichamelijke signalen, spanning en regulatie. Dat betekent overigens niet dat iedere lichaamsgerichte interventie automatisch wetenschappelijk onderbouwd is. De belangrijkste evidence-based behandelingen voor PTSS blijven traumagerichte psychotherapie en EMDR, terwijl naar aanvullende en lichaamsgerichte benaderingen nog steeds onderzoek wordt gedaan.

Wat gebeurt er met een traumatische herinnering?

Ook het onderzoek naar geheugen is relevant voor het begrijpen van trauma. Een herinnering werkt niet als een videobestand dat onveranderd wordt opgeslagen en later precies hetzelfde wordt afgespeeld. Wanneer herinneringen worden opgehaald, kunnen processen plaatsvinden waarbij ze opnieuw worden opgeslagen of aangepast. Dit wordt onder andere onderzocht binnen het concept van memory reconsolidation.

Voor traumabehandeling is dat interessant omdat het doel niet noodzakelijk hoeft te zijn om een traumatische gebeurtenis te vergeten. Een belangrijk uitgangspunt binnen verschillende behandelvormen is dat iemand zich de gebeurtenis kan blijven herinneren zonder dat die herinnering steeds dezelfde intense emotionele of lichamelijke alarmreactie veroorzaakt.

De gebeurtenis zelf verandert daarmee niet. Wel kan de betekenis die iemand eraan geeft en de manier waarop iemand erop reageert in de loop van de tijd veranderen.

Waarom vermijding een rol speelt

Na een traumatische ervaring is vermijding begrijpelijk. Als een bepaalde situatie, herinnering of prikkel wordt geassocieerd met gevaar, ligt het voor de hand om daar afstand van te houden. Op korte termijn kan dat verlichting geven.

Op langere termijn kan voortdurende vermijding er echter toe bijdragen dat het gevoel van dreiging blijft bestaan. Daarom richten traumagerichte behandelingen zich niet alleen op ontspanning of het creëren van veiligheid, maar ook op het op een gecontroleerde manier verwerken van herinneringen en het opnieuw aangaan van situaties die worden vermeden.

Traumagerichte cognitieve gedragstherapie, waaronder cognitieve verwerkingstherapie, cognitieve therapie voor PTSS, narrative exposure en prolonged exposure, behoort tot de goed onderbouwde behandelvormen. Ook EMDR heeft een belangrijke plaats in de huidige richtlijnen.

Tegelijkertijd is er veel belangstelling voor nieuwe en aanvullende behandelmethoden. Daarbij is het relevant om onderscheid te maken tussen een behandeling die interessante eerste resultaten laat zien en een behandeling waarvan de werkzaamheid en veiligheid op grotere schaal en langere termijn goed zijn onderzocht.

Verschillen tussen mensen

Een ander onderwerp dat binnen het traumaveld veel aandacht krijgt, is dissociatie. Dissociatieve reacties kunnen voorkomen na overweldigende ervaringen en kunnen zich bijvoorbeeld uiten in emotionele verdoving, een gevoel van afstand tot jezelf of moeite om lichamelijke signalen en emoties waar te nemen.

Ook hierin bestaan grote individuele verschillen. Waar de ene persoon vooral last kan hebben van voortdurende alertheid en spanning, kan een ander juist meer last hebben van verdoving, afstand of dissociatie. Dat verschil is relevant wanneer wordt gekeken naar behandeling en herstel.

Het sluit aan bij een bredere ontwikkeling binnen het traumawetenschappelijk onderzoek, waarin steeds meer aandacht is voor individuele verschillen en voor de vraag welke mechanismen bij een bepaalde persoon een rol spelen.

Schaamte, schuld en zelfbeeld

Naast angst, spanning en herbelevingen kunnen ook schaamte, schuld en zelfkritiek onderdeel worden van de gevolgen van een traumatische ervaring. Mensen kunnen zich bijvoorbeeld afvragen waarom ze niet anders hebben gereageerd, waarom ze nog steeds klachten hebben of waarom ze de gebeurtenis niet kunnen loslaten.

Onderzoek naar zelfcompassie, onder andere verbonden aan het werk van Kristin Neff, sluit aan bij de vraag hoe mensen na moeilijke ervaringen met zichzelf omgaan. Zelfcompassie betekent daarbij niet dat verantwoordelijkheid wordt ontkend, maar dat iemand leert om eigen ervaringen en beperkingen met minder zelfveroordeling te benaderen.

Binnen herstel wordt daarom niet alleen gekeken naar het verminderen van symptomen, maar ook naar dagelijks functioneren, relaties, identiteit en de mate waarin iemand weer eigen regie ervaart.

Nieuwe behandelvormen: wat weten we al?

Het traumaveld ontwikkelt zich snel. Een voorbeeld daarvan is de belangstelling voor psychedelische therapieën en MDMA-geassisteerde therapie bij PTSS. Onderzoek naar MDMA heeft in verschillende studies een vermindering van PTSS-symptomen laten zien. Tegelijkertijd is er discussie over de kwaliteit en zekerheid van het totale bewijs. Een systematische review uit 2026 beoordeelde de zekerheid van het beschikbare bewijs als zeer laag en wees onder andere op kleine onderzoeksgroepen, heterogeniteit tussen studies en problemen met blindering.

Dit laat zien waarom het belangrijk is om voorzichtig om te gaan met termen als veelbelovend, aannemelijk, goed onderzocht en bewezen effectief. Ze beschrijven verschillende niveaus van wetenschappelijke onderbouwing.

Nieuwe behandelvormen kunnen interessante mogelijkheden bieden, maar het onderzoek moet vervolgens uitwijzen voor wie ze werken, onder welke omstandigheden, hoe groot het effect is en welke risico's eraan verbonden zijn.

Verschillende perspectieven op hetzelfde probleem

Wat tijdens een bijeenkomst als Transform Trauma Oxford vooral zichtbaar wordt, is hoeveel verschillende disciplines zich met hetzelfde vraagstuk bezighouden. Een neurowetenschapper kijkt bijvoorbeeld naar hersennetwerken en leerprocessen, een psychotherapeut naar herinneringen, overtuigingen en vermijding, een lichaamsgerichte therapeut naar spanning en lichamelijke signalen en onderzoekers naar hechting naar relaties en ervaren veiligheid.

Ook de ideeën van onderzoekers en auteurs zoals Bessel van der Kolk hebben bijgedragen aan de aandacht voor de manier waarop trauma kan doorwerken in de relatie die iemand met het eigen lichaam en zichzelf heeft.

Deze perspectieven gebruiken verschillende begrippen en leggen verschillende accenten. Ze hoeven elkaar echter niet noodzakelijk uit te sluiten. In toenemende mate wordt trauma onderzocht als een verschijnsel waarbij biologische, psychologische, lichamelijke en sociale factoren elkaar beïnvloeden.

Wat weten we inmiddels redelijk zeker?

Op basis van het huidige onderzoek kunnen we stellen dat traumatische ervaringen invloed kunnen hebben op verschillende aspecten van functioneren, waaronder emoties, geheugen, gedrag, slaap, lichamelijke reacties en de verwerking van dreiging. Mensen reageren daarbij verschillend op vergelijkbare gebeurtenissen en PTSS kent meerdere onderliggende mechanismen.

We weten ook dat het brein veranderbaar blijft, dat vermijding een rol kan spelen bij het in stand houden van klachten en dat traumagerichte psychotherapie en EMDR belangrijke evidence-based behandelvormen zijn. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor de lichamelijke aspecten van trauma en voor factoren als relaties, zelfbeeld en eigen regie bij herstel.

Tegelijkertijd zijn er nog veel vragen. We kunnen nog niet betrouwbaar voorspellen wie na een traumatische gebeurtenis PTSS zal ontwikkelen. We kunnen op basis van een hersenscan niet bepalen welke behandeling voor één specifiek individu het beste zal werken. En voor verschillende nieuwe behandelvormen is het onderzoek nog volop in ontwikkeling.

Van ‘wat is er mis met je?’ naar ‘wat is er met je gebeurd?’

Een verschuiving die binnen het traumaveld zichtbaar is, is de toenemende aandacht voor de vraag waarom iemand bepaalde klachten en reacties heeft ontwikkeld. In plaats van alleen naar symptomen te kijken, wordt ook onderzocht welke functie een reactie kan hebben gehad en hoe het stresssysteem zich na een ingrijpende ervaring heeft aangepast.

Een lichaam dat voortdurend alert is, hoeft daarmee niet simpelweg ‘niet goed te functioneren’. Een brein dat gevaar blijft voorspellen, hoeft niet blijvend beschadigd te zijn. En vermijding, controle of dissociatie kunnen reacties zijn die iemand op een bepaald moment hebben geholpen om met een overweldigende situatie om te gaan.

Dat betekent niet dat deze reacties altijd helpend blijven. Wanneer de omstandigheden veranderen, kunnen strategieën die ooit bescherming boden juist belemmerend worden. In behandeling kan dan worden onderzocht hoe iemand opnieuw onderscheid kan leren maken tussen wat toen gebeurde en wat er nu gebeurt.

Misschien is dat een van de belangrijkste observaties uit de verschillende perspectieven op trauma: herstel gaat niet alleen over het verdwijnen van klachten, maar ook over het opnieuw kunnen functioneren en keuzes kunnen maken zonder voortdurend door oude alarmreacties te worden gestuurd.

De wetenschap over trauma ontwikkelt zich verder. Sommige mechanismen worden steeds beter begrepen, terwijl andere vragen nog openstaan. Juist daarom blijft het belangrijk om verschillende perspectieven serieus te nemen, maar ook onderscheid te blijven maken tussen wat goed is onderzocht, wat nog wordt onderzocht en wat vooral theoretisch of klinisch wordt verondersteld.

Deze blog is bedoeld als algemene informatie en vervangt geen professionele diagnostiek of behandeling.

Herken je dit?

Het kennismakingsgesprek is gratis en vrijblijvend. We kijken samen wat in jouw situatie passend is.

Gratis kennismaken